Klassieker

Published on april 4th, 2021 | by snoeischaar

0

Kapitein Biefstuk in de autofabriek

Net als zijn kameraad en partner-in-crime Frank Zappa had Captain Beefheart het he-le-maal gemaakt in de late jaren ’60. Ja, tot op de dag van vandaag blijft zijn ‘Trout Mask Replica’ uit 1969 met gemak overeind als zijnde zo’n beetje de meest intrigerende,  meest op het verkeerde been zettende, meest weirde, meest ontwrichtende plaat die ooit het levenslicht zag. Maar toch, in de jaren ‘70 ging het slightly downhill met de meester. Een voorzichtig ingezette koers naar een iets meer zalvende sound culmineerde in 1974 in twee soft-rock platen waarvan hij zich later beschaamd zou distantiëren, hij zou ze zelfs ‘vulgar’ gaan noemen! Problemen met platenmaatschappijen en rechtenkwesties zorgden ervoor dat het vervolgens uitgerekend in de punktijd betrekkelijk stil bleef rond hem (slechts één plaat in de tweede helft van de 70s) . Pas rond 1980 zou Don Van Vliet er weer goed bovenop komen met het fris van de lever klinkende ‘Doc at the Radar Station,’ waarmee hij de harten stal van een nieuwe golf liefhebbers, zeg maar gerust van de postpunk generatie.  

Unconditionally Guaranteed’ en ‘Bluejeans & Moonbeams,’zo heten de twee kutplaten van Captain Beefheart and The Magic Band, allebei uit 1974, allebei op Virgin Records, allebei geproduced door ene Andy di Martino. Voor Beefheart’s doen klinken ze nogal gladjes in de oren maar in vergelijking met wat tegenwoordig doorgaat voor ‘verantwoorde popmuziek’ een verademing!
Ter verkoopbevordering van ‘Unconditionally Guaranteed’ onderneemt de kapitein een ordinaire promotour en vindt zichzelf terug tussen allerlei B- en C-artiesten bij Van Oekel’s Discohoek. De bebrilde gastheer verwelkomt hem met ‘Kapitein Biefstuk.’ De playback-act die volgt mag je van mij ofwel gaaf en surrealistisch vinden ofwel een hilarische knieval voor de platte commercie, ofwel allebei, daar ben ik heel tolerant in.

Maar wat vrat de kapitein zoal uit dan in dat scharniertijdperk waarin iedereen de pogo danste? Daarvoor moeten we het zoeken in de filmwereld én in de nalatenschap van Phil Spector. Heb je even? Eerst ‘Blue Collar,’ wie kent die film nog? We hebben het hier over een film die met gemak tot het fraaiste van de 70s gerekend mag worden maar desondanks bijna volledig in de vergetelheid is geraakt (vloek Netflixpulp vloek). Zeer ten onrechte! En dat vind niet alleen ik hè, maar ook types als Bruce S. en Spike L vinden dat. Gelukkig is dit pareltje nog her en der tweedehands op dvd te vinden, dus niet zeuren nou.

‘Blue Collar’ gaat over drie bevriende Detroitse fabrieksarbeiders, Zeke (Richard Pryor, destijds een gevierd komiek), Jerry (Harvey Keitel, twee jaar na zijn rol als miezerig pooiertje in ‘Taxi Driver’) en Smokey (Yaphet Kotto, een jaar voordat hij zou doorbreken in ‘Alien’). Ze staan aan de lopende band in een autofabriek, in the factory that builds cars and kills humans, zoals de tagline van de film luidt. In zijn research voor de film had regisseur Paul Schrader een aantal echte Detroitse fabrieksarbeiders geïnterviewd en één van hen had gezegd: “We hate management, but you know who we hate more than management? Our own union. It fucks us!” Het was deze uitspraak die de basis voor het script zou vormen.

De omstandigheden waaronder de drie helden leven zijn pover. Schamel loontje, ontevreden echtgenotes, schulden, zuipen… Zelfs niet eens genoeg poen voor een nieuw beugeltje voor dochterlief .. Om aan de misère te ontsnappen beramen ze een overval op de kas van de lokale vakbond. Dat mislukt grandioos natuurlijk, en de gevolgen zijn niet mals…  De boel loopt gierend uit de klauw en dan komt ook nog de beruchte scène waarin lastpak Smokey nietsvermoedend een verfspuithok instapt. Laffe opponenten zetten hem daar klem door een heftruck tegen de deur aan te parkeren. De slangkoppeling van de spuitapparatuur blijkt ook nog eens gesaboteerd. Stikkend en proestend te midden van een steeds dikker wordende wolk blauwe verf komt hij daar aan zijn treurige einde. Ja, Smokey’s death scene gaat door merg en been.

Ook door merg en been ging de Wagneriaanse wall of sound die Phil Spector een jaar of 15 jaar eerder op de wereld losliet. Of in zijn eigen worden: de little symphonies for kids. We mogen hem (afgelopen januari in de bak aan zijn treurige eind gekomen) er eeuwig dankbaar voor zijn. Al mogen we daarbij de rol van meesterarrangeur Jack Nitzsche nooit uit het oog verliezen. Zelf heeft Nitzsche altijd volgehouden alles aan Spector te danken te hebben, vooral omdat Spector  – zeer tegen de gewoonte van die tijd in-  zijn naam steevast op het Philles-platenlabel liet afdrukken, waardoor Nitzche’s naam gevestigd was.

Phil en Jack, geconcentreerd luisterend naar alweer een tophit in de dop

Maar ja, Spector en Nitzsche hadden dan ook veel gemeen: allebei begin twintigers nog, allebei van Joods-Europese komaf, allebei boy wonders die evenwel niet gezegend waren met pop-star looks, waardoor een achtergrondrol voor hen in het verschiet lag. En allebei behept met een perfect gevoel voor aanstekelijke popmuziek, dat vooral. Met de qua USA-hitparadenotering briljante mislukking ‘River Deep – Mountain High’ van Ike & Tina (1966) opereerden de twee jongens op de toppen van hun kunnen. Het zou hun meest legendarische en tevens allerlaatste samenwerking vormen.

Voor arme Phil bleek zijn magnum opus tevens zijn zwanenzang. Waar hij steeds meer last zou krijgen van persoonlijkheidsstoornissen maar nochtans nog een handjevol fatsoenlijke lp-producties wist af te leveren (L. Cohen, G. Harrison, J. Lennon, Ramones), daar verstevigde Nitzsche zijn status als popmuziek’s meest fameuze arrangeur. Als lid van de Wrecking Crew werkte hij al samen met de groten der aarde, later nam hij het heft in eigen handen. Neem de orkestratie van ‘Expecting to Fly’ van Buffalo Springfield… Of wie kent nou niet het fameuze zangkoor–arrangement voor ‘You Can’t Always Get What You Want’? Een periode als langharige pianist/producer in Crazy Horse, de min-of-meer-begeleidingsband van Neil Young, mag ook niet onvermeld blijven (die klus met het London Symphony Orchestra voor ‘A Man Needs a Maid’! ). Kortom, ongelooflijk veel fraais heeft Jack Nitzsche in de loop der jaren afgescheiden. Een jaar of 15 geleden heeft ACE Records het beste daarvan eens liefdevol gecompileerd op drie verzamel-cd’s. Bij elkaar een stuk of 90 nummers, echt een aanradertje: 

Allerlei soorten samenwerking met o.a Frankie Laine, Graham Parker, Buffy Sainte-Marie (met haar was hij ook getrouwd), Sonny & Cher, The Searchers  (‘Needles and Pins’), Mink deVille (‘Mixed up, Shook up Girl”) , The Beach Boys, Marianne Faithfull (‘Sister Morphine’) , The Monkees, Tammy Wynette, Miles Davis, Randy Newman, Jackie DeShannon, Doris Day (“Move over Darling’) , Tim Buckley, The Turtles, The Tubes, Righteous Brothers, Everly Brothers…
En niet te vergeten…
Jack Nitzsche (met witte jas) als lid van Crazy Horse. Onder meer het prachtige ‘I don’t Wanna Talk About it’ (later bekend van Rod Stewart) is van hun hand.

Naarmate de jaren ‘70 vorderden ging Jack Nitzsche (zelf hield hij vol af stammen van de beroemde Duitse filosoof, maar niemand die hem geloofde) zich steeds meer toeleggen op filmsoundtracks. Ook daarvan hebben er een aantal – daar gaan we weer-   met gemak een klassieke status bereikt. We noemen die van ‘One Flew over the Cuckoo’s Nest’ (die zingende zaag! dat piepende wijnglas!)  ‘The Exorcist,’ ‘Performance,’ ‘9,5 weeks,’ en ‘An Officer and a Gentleman.’ Waarmee we weer terug zijn bij ‘Blue Collar,’ want ook voor de soundtrack daarvan is Jack Nitzsche persoonlijk verantwoordelijk! Als we die plaat opzetten valt meteen ‘Hard Workin’ Man’ op, een rauwe song met dito zangpartij. Het is Captain Beefheart die we hier als getergde blueszanger tekeer horen gaan.  

Fabrieksblues. Op slidegitaar de geweldige Ry Cooder, op vox Captain Beefheart, productie en tekst zijn van Jack Nitzsche

Got a two-ton hammer
Got beat by the pound
I’m a hard workin’ driver man
Six feet solid from the ground

Work my hammer for the factory
Foreman always wanna fight
Swallowed-up some TV dinner
Swing my hammer strong at night


When I was a schoolboy
Teachers said study as hard as you can
It didn’t make no difference
I’m just a hard workin’ driver man

De Blue Collar soundtrack en een mooie plaat van Crazy Horse

Nitzsche en regisseur Parker zochten passende gritty muziek bij de gritty openingsscene in de fabriek… Ze hadden ook een soort eerbetoon aan Howlin’ Wolf in gedachten aangezien deze kort ervoor was overleden. Gelukkig kende Nitzsche Captain Beefheart nog, wellicht via Ry Cooder want die is niet alleen ook op deze opname te horen maar speelde al eerder mee op Beefheart’s debuutplaat ‘Safe as Milk’ uit 1967. Kortom, Captain Beefheart liet zich strikken voor de soundtrack van Blue Collar en dat bleek een schot in de roos. Zijn gruisstem paste wonderwel bij het het machinaal stampende thema van de film. Die stampende beat die je hoort was letterlijk gesampled van een echte plaatstaalstampmachine, wat een vondst! Al met al vormt dit nummer een mooie curiositeit in het verder imposante oeuvre van Beefheart, alsook een vitaal teken van leven van de Kapitein uit een periode waarin alle aandacht naar anderen uitging.

Twee andere soundtracks van Jack Nitzsche, de linker is een amechtige poging (me o.a The Germs) om aan te sluiten bij de punk-trend.
De 7 inch
Nog eens twee befaamde Jack Nitzsche producties

Maar waarom begin ik domme sukkel, uitgerekend nu, drieënveertig jaar na het verschijnen van ‘Blue Collar’ over deze film en soundtrack? Wel, dat zal ik je vertellen. Medio maart overleed op 81-jarige leeftijd Yaphet Kotto, de man die in dat spuithok zo grotesk aan zijn eind kwam. Nu is hij dus ook in het echt gaan hemelen. Net zoals de meeste andere hoofdrolspelers van dit stukkie overigens. Zoveel doden… soms wordt je er gek van en lijkt het wel of de meeste van al je vermeende zielsverwanten de Styx al hebben overgestoken: Frank Zappa, Captain Beefheart, Phil Spector, Jack Nitzsche, Sjefke van Oekel, Richard Pryor, Chester Burnett/ Howlin’ Wolf… Mocht er zoiets als een opperwezen bestaan dan hebbe hij hun ziel!

Yaphet Kotto (links) in ‘Blue Collar’ met Harvey Keitel en Richard Pryor
Yaphet Kotto met Sigourney Weaver in ‘Alien’
Ooit als jongeman probeerde Jack Nitzsche het te maken als popster. Hij maakte enkele soloplaatjes, meestal in het surfgenre. Daarvan is ‘The Last Surfer’ wel de bekendste. Een ander solo-nummer van hem zou weer terechtkomen op de soundtrack van Tarantino’s ‘Death Proof.’

Comments

comments

Tags: , , , , , , , , ,


About the Author



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top ↑